De toekomst van de gemeente

De Bijbel is zeer uitgebreid over de toekomst. In dit artikel wil ik globaal iets behandelen over de toekomst van de de kerk, of de gemeente, dat zijn de gelovigen van na de hemelvaart van Christus (zie het artikel 'De gemeente van God'.).

Een algemene opmerking over profetie is hier op zijn plaats. Profetie heeft nooit ten doel ons te informeren over toekomstige dingen alleen. Het is altijd Gods bedoeling in profetie de heerlijkheid van Christus te belichten en ons zo op te roepen tot een leven dat in overeenstemming is met Zijn karakter.

Eerst iets over de bijzondere positie van de gemeente. Als we willen begrijpen wat de toekomst van de gemeente is, moeten we eerst leren zien wat de plaats van de gemeente in de ogen van God. De relatie tussen het Israël van de profetieën en de gemeente in het NT is van doorslaggevend belang. Is Israël ‘gedegradeerd’ naar het niveau van de heidenen, of zijn de heidenen in Israël opgeklommen? Luister naar Paulus:

Want Hij is onze vrede, die de twee (de Israëliet en de heiden) één heeft gemaakt (…) doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis. Ef2:14-16 

Zowel de Israëliet als de heiden die Christus aannemen, worden beiden tot iets nieuws gemaakt; namelijk de nieuwe mens, samen in één lichaam. Dit nieuwe was verborgen in het OT (Ef3:5, Kol1:26, Rm16:25).  De Here Jezus zegt duidelijk, dat de gemeente er in zijn tijd nog niet was:

Op deze rots zal Ik mijn gemeente bouwen. Mt16:18

De gemeente kon pas ‘ontstaan’ nadat Jezus was verheerlijkt aan de rechterhand van God. Logisch, want het kenmerk van de gemeente is dat zij is verbonden met een mens in de hemel. De gemeente bestaat dan ook uit mensen die vanaf de pinksterdag in Hd2 tot aan nu, samen het lichaam van Christus vormen, de nieuwe mens. Deze nieuwe mens staat onder leiding van het Hoofd; Jezus Christus en uit Hem ontvangt zij leven. De gemeente is in Christus, één met Hem.

Dit punt is essentieel: God heeft ons, gelovigen volledig één gemaakt met Christus. We zijn niet alleen met Hem gestorven en begraven, maar ook met Hem opgestaan en in de hemel gezet (Ef2:1-6). Dit houdt voor de toekomst in: Waar Hij is, is de gemeente. Christus en zijn lichaam, de gemeente, zijn voor altijd en eeuwig één. Om dit te begrijpen hebben wij een Geest van openbaring en wijsheid nodig (Ef1:17,18).

Een andere beeldspraak zegt: de gemeente is opgenomen in de familie van God en bestaat uit kinderen van de Vader. In dit verband belooft Jezus in Joh14:2,3 

Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik heengegaan ben en uw plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben. 

Dit is de belofte: Ik kom, neem jullie tot Mij in het Vaderhuis (zie vers 2). Dit spreekt over het moment waar we op wachten: Hij neemt ons tot Zich, van beneden naar boven. Dit gebeuren noemen we de ‘opname van de gemeente’. Meer hierover wordt ons verteld in de 2 brieven van Paulus aan de Tessalonicenzen.  In 4:13-17 vinden we het bekendste gedeelte over de opname:

Doch wij willen u niet onkundig laten, broeders, wat betreft hen, die ontslapen, opdat gij niet bedroeft zijt, zoals de andere (mensen), die geen hoop hebben. Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zo hen, die ontslapen zijn, door Jezus wederbrengen met Hem.

Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zo zullen wij altijd met de Here wezen.

Let op: net als in Joh14, van beneden naar boven, de Heer tegemoet, het Vaderhuis in samen met Hem om te wezen waar Hij is. Dit is duidelijk een ander moment dan beschreven staat in bijv. Mat24:27 en Op1:7 

Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien…

Dit is van boven naar beneden, een ander moment, maar de Bijbel spreekt over één wederkomst, zij het in verschillende fasen. Dit is de reden dat er zoveel verwarring over bestaat. Bovendien lezen we in teksten als Zach14:5, Kol3:4 en 1Tes3:13 dat Hij dan komt met al zijn heiligen. Als Jezus terugkomt met al zijn heiligen (let op het woordje ‘al’ in 1Tess3:13, dus allemaal, niet alleen de gestorvenen), dan zullen die heiligen toch eerst bij Hem moeten komen? 

In de tweede brief van Paulus aan de Tessalonicenzen lezen we exact wat ik hierboven heb geschetst. De gelovigen dachten dat de dag des Heren al was aangebroken, het moment dat Gods toorn over de wereld komt.

Maar wij verzoeken u, broeders, met betrekking tot de komst van onze Here Jezus en onze vereniging met Hem (dat is dus de opname, let op dat hier niet staat zijn vereniging met ons, maar onze vereniging met Hem, dat is van beneden naar boven), dat gij niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert, hetzij door een geestesuiting, hetzij door een prediking, hetzij door een brief, die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag van de Heer (reeds) aanbrak (lett: alsof de dag van de Heer reeds aangebroken zou zijn). Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is. 2Tess2:1-4

Hier zegt Paulus duidelijk dat eerst de antichrist zich moet openbaren, en dat daarna de dag des Heren begint! (zie over de betekenis van deze dag het artikel: 'De dag des Heren, wat is dat?'). Maar dan zegt hij dat er nog iets eerst moet gebeuren voordat de dag des Heren aanbreekt: 

En gij weet thans wel, wat hem weerhoudt, totdat hij zich openbaart op zijn tijd. Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking; (wacht) slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is. Dan zal de wetteloze zich openbaren…vs.6,7 

De wetteloze openbaart zich dus nadat hij, die nu nog weerhoudt, verwijderd is. Dit kan niet anders dan slaan op de Heilige Geest die in de gemeente op aarde woont (alhoewel er meerdere verklaringen van dit vers zijn). Als de gemeente ‘verwijderd’ is, dan openbaart de wetteloze zich. Eerder niet, want de Geest van God houdt dit nog tegen door zijn functie als bederfwerend zout op aarde.

Tenslotte schets Paulus een fel contrast tussen de heiligen die met Christus zijn, en de ongelovigen die onder de toorn van God de dag des Heren ervaren en geoordeeld worden op aarde. De toorn van God wordt uitgevoerd door Christus. Deze toorn is natuurlijk niet bedoeld voor zijn eigen lichaam, de gemeente.

Jezus, die ons verlost van de komende toorn. 1Tess1:10

Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van zaligheid door onze Here Jezus Christus…1Tess5:9

Veel meer zullen wij derhalve, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn. Rom5:9 

Samengevat: Nu leeft de gemeente op aarde en is ze als een lichtende ster tussen de mensen die niet geloven. Ze is één met het Hoofd; Christus in de hemel. Als Gods tijd daar is, komt het oordeel over de wereld; een grote verdrukking (of verzoeking). Voor dat moment neemt de Heer de gemeente weg (en dus de Heilige Geest die in de gemeente op aarde woont). Zonder Gods aanwezigheid op aarde neemt het kwaad snel toe. Jezus keert uiteindelijk met de gemeente terug om het kwaad uit de wereld weg te nemen en zijn rijk te beginnen.

Indien het inderdaad recht is bij God, aan uw verdrukkers verdrukking te vergelden, en aan u, die verdrukt wordt, verkwikking tezamen met ons, bij de openbaring van de Here Jezus van de hemel met de engelen zijner kracht, in vlammend vuur, als hij straf oefent over hen, die God niet kennen en het evangelie van onze Here Jezus niet gehoorzamen. (…) Wanneer Hij komt, om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn…2Tess1:6-8+10 

Nu verdrukking voor de gemeente van de wereld, straks verdrukking voor de wereld door God terwijl de gemeente verkwikking beleeft. 

Over het  moment van de opname schrijft Paulus nog een heel belangrijk stuk in 1 Kor15:51-53. Hij gaat in op de vraag hoe het nu kan dat levende mensen zomaar de hemel in gaan:

Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden. Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.

Alle gelovigen, overleden en levend op dat moment, zullen als veranderde, nieuwe mensen met christus weggevoerd worden. Let ook op het opnieuw noemen van de bazuin, welke ook voorkomt in 1 Tess. 4. We zullen dezelfde heerlijkheid ontvangen als die Christus heeft (2Tess2:14) en voor altijd in het Vaderhuis zijn. De grote vraag is nu:

Zal dit moment, dat de gelovigen met de Heer in het Vaderhuis worden ingevoerd, op dezelfde tijd gebeuren als de komst van de Heer voor de wereld? Er zijn argumenten voor (zie 1Tess4:15, 'wij levenden die achterblijven tot aan de komt van de Heer') en tegen (zie onder). 

Jezus is dus letterlijk onze hoop. Ieder moment kan hij terugkeren. Er staat niets meer tussen. Dit is de belangrijkste reden dat de opname van de gemeente moet plaatsvinden voordat Christus de wereld gaat oordelen. Als er nog van alles moest gebeuren voor Jezus' komst voor ons, dan zouden wij nooit een levende hoop van iedere dag hebben gehad. Maar die hebben we wel! Elk moment kan Hij terugkomen om ons op te nemen in de heerlijkheid bij de Vader. De vraag is of deze verwachting ons leven echt beïnvloedt. Johannes schrijft in 1Joh3:3

En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is.

Jezus kan ieder moment dus komen, vandaar ook de regelmatig herhaalde uitspraak van Hem: 'Ik kom spoedig'. Voor de wereld geldt dit niet omdat er eerst nog een heleboel dingen moeten gaan gebeuren voordat Jezus openlijk verschijnt voor hen. Wie ore heeft, die hoort wat de Geest tot de gemeenten zegt!

In een ander artikel 'de opname van de gemeente' ga ik in op nog wat andere aspecten van deze dingen.