Jezus onze hogepriester

In dit artikel wil ik, vanuit Hebreeën 7 het hogepriesterschap van Christus behandelen. Ik ga dit hele hoofdstuk, vers voor vers na. Omdat de Hebreeën gevaar liepen af te drijven (2:1) van Jezus laat de schrijver hen zien waarom Christus’ hogepriesterschap zoveel verhevener is dan dat van Aäron. Hij gebruikt, aan de hand van Psalm 110:4, de figuur van Melchisedek (die we in Gn14 tegenkomen) om te laten zien hoe volmaakt het werk van Jezus als hogepriester is. Het is in alle opzichten voortreffelijker dan het Levitische priesterschap. Door de beschrijvingen uit Gn14 te gebruiken, laat hij zien dat er een diepere betekenis zit in de manier waarop de Heilige Geest de woorden heeft gekozen. Dit noemen we een typologische toepassing.

Vers 1: Want deze Melchisedek, koning van Salem, priester van de allerhoogste God, die Abraham bij zijn terugkeer na het verslaan van de koningen tegemoet kwam en hem zegende,

De historische Melchisedek was de koning van Salem (‘vrede’; zie vs2) en priester van de Allerhoogste God. Abraham kunnen we zien als een type van de gelovige. Hij werd gezegend door Melchisedek, vlak voordat hij de koning van Sodom zou treffen:

Toen ging de koning van Sodom uit, hem tegemoet, nadat hij teruggekeerd was van het verslaan van Kedorlaomer en de koningen die met hem waren, naar het dal Sawe, dat is het Koningsdal. Gn14:17

De plek waar Abraham Melchisedek ontmoet is in het Koningsdal. Deze plaats wordt in 2Sm18:18 genoemd als de begraafplaats van Absalom (‘vader des vredes’) die een type is van de Antichrist, de brenger van de valse vrede. De ware Koning, Christus, wordt hier voorgesteld als Melchisedek die Abraham, de gelovige, zegent met brood en wijn. Zo ontvangt Abraham kracht voor zijn confrontatie met de koning van Sodom. Wij hebben ook te maken met een vijandige wereld en niets geeft ons meer kracht dan een ontmoeting met Degene aan Gods rechterhand. Straks in het Vrederijk zal hij zichtbaar zijn volk Israël zegenen met brood en wijn.

Vers 2: aan wie ook Abraham een tiende van alles gegeven heeft, is vooreerst, volgens de uitlegging (van zijn naam): koning der gerechtigheid, vervolgens ook: koning van Salem, dat is: koning des vredes;

Abraham gaf aan Melchisedek een tiende van alles, zodat hij zich aan hem onderwierp. Dat hij de koning van de gerechtigheid en de koning van de vrede wordt genoemd houdt verband met het Vrederijk. Daar zullen gerechtigheid en vrede heersen over de aarde. Nu al worden ze gevonden onder de gelovigen zoals Paulus in Rm14:17 laat zien:

Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in eten en drinken, maar in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door de heilige Geest.

Daarom is onze Hogepriester Degene die deze dingen in onze levens bewerkt zo groot. Eerst zal trouwens straks de gerechtigheid op de aarde worden gevestigd d.m.v. de oordelen (Js26:9) en daarna zal de vrede de aarde vervullen tot in eeuwigheid (Js32:17).

Vers 3: zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde des levens, en, aan de Zoon van God gelijkgesteld, blijft hij priester voor altoos.

De schrijver zegt hier niet dat de historische Melchisedek geen vader of moeder heeft gehad of dat hij eeuwig leefde of iets dergelijks. Hij laat zien dat de manier waarop Melchisedek in de Bijbel wordt beschreven aangeeft dat dit aanwijzingen zijn voor de typologische toepassing op Christus. Er staat nergens in Gn14 dat Melchisedek een vader of moeder had, dus dat houdt in dat dit typologisch slaat op de tijdloosheid van Christus, die de eeuwige Zoon van God is. Juist deze twee verzen geven aan dat de manier waarop iets staat geschreven niet toevallig is. De Heilige Geest heeft er een bedoeling mee. Melchisedek is niet letterlijk voor altijd priester gebleven, maar in de Bijbel is hij wel zo beschreven en daarmee lijkt hij op Christus, die wel voor eeuwig priester is.

Vers 4: Merkt dan op, hoe groot deze is, aan wie de aartsvader Abraham een tiende gegeven heeft van het beste van de buit.

Nu gaat de schrijver laten zien dat Melchisedek groter is dan Abraham en dan Levi. Om te beginnen gaf Abraham, de aartsvader (het grote voorbeeld van de Joden), aan Melchisedek een tiende van het beste van de buit. Daarmee staat Abraham ‘onder’ hem. Wie tienden neemt, is namelijk groter dan wie tienden geeft.

Vers 5: Nu hebben zij, die uit de zonen van Levi het priesterambt verkrijgen, volgens de wet wel de opdracht tienden te heffen van het volk, dat is, van hun broeders, hoewel dezen uit de lendenen van Abraham zijn voortgekomen;

Alleen de stam van Levi mocht tienden heffen. Zij gaven die weer aan de priesters. Abraham was hun (voor)vader waarmee de schrijver al duidelijk aangeeft dat als hun voorvader tiende geeft aan Melchisedek, deze dus hoger moet zijn dan de Levitische priesters. Zowel Melchisedek als de Levitische priesters namen dus tienden aan. De Levieten deden dat volgens een gebod, terwijl Abraham dit vrijwillig deed. De Levieten namen niet een hogere plaats in dan hun broeders, Melchisedek wel ten opzichte van Abraham.

Vers 6: maar hij, die zich niet tot hun geslacht kon rekenen, heeft van Abraham tienden genomen en een zegen gegeven aan de drager der beloften.

Melchisedek behoorde niet tot het volk Israël, Abraham had ten tijde van de ontmoeting nog geen zoon. Dat Melchisedek tienden nam kwam niet voort uit een gebod, maar was gegrond op zijn persoon: koning en priester. Hij nam tienden van hem die de drager was van de beloften van God. ‘In u zal Ik alle geslachten van de aardbodem zegenen (Gn12:3; 18:18, 22:18, 26:4, 28:14, Gl3:8).

Vers 7: Nu is het onwedersprekelijk, dat het mindere door het meerdere wordt gezegend.

De redenering is niet moeilijk te volgen: Als Abraham wordt gezegend, dan is hij de mindere, want wie de zegen geeft, is meerder. Maar als Abraham gezegend wordt, die de drager is van de beloften, dan betekent dit dat degene die hem zegent heel bijzonder moet zijn. Dat klopt ook, omdat Melchisedek opzettelijk door de Heilige Geest in Gn14 op een bepaalde manier wordt voorgesteld zodat hij een type is van Christus. Er zit dus al in het Oude Testament een hele duidelijke aanwijzing dat het oude verbond met zijn priesterdienst niet volmaakt was! Dit vers wordt door diverse uitleggers gebruikt om vraagtekens te zetten bij de ‘zegen’ door een ambtsdrager aan het slot van een dienst. Hij is niet meerder dan de gemeente, dus zou dat eigenlijk een on-Bijbelse handeling zijn. We moeten hier goed begrijpen wat ‘zegenen’ nu precies is. Er zijn drie betekenissen:

*Het algemeen goede over iemand wensen.

*Iets specifieks over iemand wensen.

*Een specifieke zegen op iemand leggen.

Op internet vond ik dit: 

Als er in Ef1:3 staat “Gezegend is God” dan voelen we toch allen aan dat we God niet kunnen zegenen zoals Izaäk dat met zijn zonen deed. Het woord ‘zegenen’ in Ef1:3 betekent ‘prijzen’ en dat is in dat geval heel wat anders. Maar ook het verschil tussen een zegen toewensen als een gebed en een zegen op iemand leggen moeten we onderscheiden anders krijgen we verwarring (…). Voor de schrijver en voor zijn lezers was dit (vers 7 van Hb7, DJJ) een leerstelling die als een paal boven water stond. Uit het Oude Testament was hun dit kennelijk duidelijk. Het was Aäron en zijn zonen die de hogepriesterlijke zegen op het volk konden en mochten leggen. Dit voorbeeld sprak voor de ontvangers van de brief aan de Hebreeën voldoende en de gedachte dat het gelijke het gelijke kon zegenen of nog extremer dat het mindere het meerdere zou kunnen zegenen in de zin van zegen opleggen kwam in hun hoofd niet op. Ze vonden daarvan in het Oude Testament geen enkel voorbeeld (…). Zegenen in de zin van toezeggen heeft - zoals al gezegd - een bepaalde inhoud die aan de persoon in vervulling zal gaan Dit zegenen heeft dus - zoals gezegd - een zeker profetisch karakter. Het is niet hetzelfde als zeggen : ”In de naam van de Heer zegen ik je”. Als iemand dat zegt dan kunnen we terecht vragen: “Waarmee zegen je me dan”. Zo’n uitspraak op zichzelf is niet een zegen opleggen maar een zegen toewensen. Want zo’n zin zegt niets over de inhoud van de zegening. Een zegen op iemand leggen is dus meer dan een wens. Het houdt in dat over bepaalde goede dingen gesproken wordt die de persoon die gezegend wordt, ontvangen zal (…). Zegenen in de zin van het goede toewensen kunnen we doen in welke positie we ook zijn. We kunnen dat als minderen ten opzichte van meerderen, van kinderen ten opzichte van onze ouders, enz. Het is zeker een bemoediging voor de ander als kind van God als je hem Gods zegen toewenst, maar dat is niet zegen toezeggen in de zin zoals ik dat vind in de voorbeelden die de Bijbel geeft. (www.jaapfijnvandraat.nl: ‘zegenen en vervloeken’)

Vers 8: En hier ontvangen sterfelijke mensen tienden, doch dáár iemand, van wie wordt getuigd, dat hij leeft.

In het geval van de Levitische priesterdienst ontvangen de priesters, gewone, sterfelijke mensen, tienden. Natuurlijk was Melchisedek historisch gezien ook een gewoon sterfelijk mens, maar het gaat hier nogmaals, om de manier waarop hij in de Bijbel wordt gepresenteerd. Sterfelijk mensen namen tienden aan om in leven te blijven, terwijl Melchisedek (in type) eeuwig is. Abraham gaf hem de tienden uit eerbetoon, niet om in zijn levensonderhoud te voorzien. Zo kunnen wij ook niets aan Christus geven dat nodig is om in leven te blijven. Hij is een eeuwige Hogepriester. Wat wij Hem aanbieden (materiële zaken, tijd, bekwaamheden, lofprijzing, overgave) is op grond van eerbetoon.

Vers 9: Ja, om zo te zeggen, is zelfs Levi, die tienden heft, door Abraham aan het tiendrecht (van een ander) onderworpen,

Dit is een heel verregaande denkstap die de schrijver hier maakt. Levi was het hoofd van de Levieten. Hij hief de tienden. Omdat hij ten tijde van Gn14 nog in de ‘lendenen’ van Abraham was, gaf hij dus ook tienden in plaats van dat hij ze ontving. Ook Levi was aan Melchisedek onderworpen, dus ook zijn priesterdienst!

Vers 10: want hij was nog in de lendenen van zijn vader, toen Melchisedek deze tegemoet kwam.

De lendenen (of heup) worden in de Hebreeuwse zegswijze symbolisch gezien als de plaats van de verwekkingskracht. Dit is geen biologie, maar een geestelijke benadering van een orde. Levi was dus ondergeschikt aan Melchisedek, zoals het Israëlische priesterschap ondergeschikt is aan dat van Christus.

Vers 11: Indien nu het Levitische priesterschap het volmaakte gebracht had, immers, daaronder heeft het volk de wet ontvangen – waarom was het dan nog nodig, dat een andere priester naar de ordening van Melchisedek opstond, van wie niet gezegd werd, dat hij naar de ordening van Aäron is?

Dit is het eigenlijke punt dat de schrijver wil maken. Het is niet moeilijk te begrijpen. Het hele systeem van het Levitische priesterschap was niet volmaakt. Toch heeft God het ingesteld. Het feit dat het niet volmaakt was lag niet aan God, maar aan de mens. Zij was onvolmaakt en dus was het priesterschap onvolmaakt. Er moest een ander systeem komen. Dit is er ook gekomen toen Christus kwam. Van Hem wordt niet gezegd dat Hij naar de oude orde van Aäron was, maar naar de nieuwe orde van Melchisedek. Als het Oude Testament dus al aangeeft dat er een nieuwe ordening komt, dan moet dat wel betekenen dat het oude systeem onvolmaakt was.

Vers 12: Want uit een verandering van priesterschap volgt noodzakelijk ook een verandering van wet.

Niet alleen het priesterschap van Christus is anders, ook het systeem waarin het priesterschap was ingebed, werd anders. Er is nu sprake van een andere ‘wet’. De oude wet was die van de Sinaï. Deze bepaalde precies hoe het priesterschap moest functioneren. Nu er een andere orde is gekomen, die van Melchisedek, moeten daar dus ook andere ‘wetten’ of beginselen gelden. En dat is inderdaad zo, zoals we zullen zien. De oude wet wordt trouwens niet afgeschaft, maar vervuld in Christus. Dit is een moeilijk punt, maar daar komen we uitgebreid op terug bij de bespreking van Hb8:13.

Vers 13: Want Hij, van wie aldus wordt gesproken, heeft behoord tot een andere stam, waaruit niemand met het altaar te doen had:

Eén van deze nieuwe beginselen is dat de nieuwe priester kennelijk niet meer uit de stam van Levi hoeft te komen. De priesters deden dienst aan het altaar. Niemand anders had dit voorrecht dan zij, die uit Levi waren. Nu is er ineens iemand uit Juda die dit doet, en wel in de hemel. Hij vervult een nieuw type priesterschap, ingebed in een nieuwe wet, onder een nieuw verbond. Het heeft de volmaaktheid gebracht!

Vers 14: het is immers duidelijk, dat onze Here uit Juda is gesproten, ten aanzien van welke stam Mozes met geen woord van priesters gerept heeft.

De conclusie is eenvoudig: Christus (hier genoemd: ‘onze Heer’) is uit een andere stam, namelijk Juda. Dit betekent dat Hij dus tot een ander priestersysteem behoort dan die van het oude verbond. De schrijver neemt veel tijd om keer op keer aan te wijzen dat Christus nu wel de volmaakte Hogepriester is en wel het volmaakte priesterschap uitoefent. Door Zijn dienst zijn wij volmaakt en hoeft er nooit meer een offer gebracht te worden voor onze zonden! Hij die nu het hemelse priesterschap uitoefent, zal straks de Koning en Priester zijn.

Zo zegt de HERE der heerscharen: zie, een man, wiens naam is Spruit. Deze zal uit zijn plaats uitspruiten en hij zal de tempel des HEREN bouwen. Ja, hij zal de tempel des HEREN bouwen en hij zal met majesteit bekleed zijn en als heerser zitten op zijn troon; en hij zal priester zijn op zijn troon; heilzaam overleg zal er tussen hen beiden zijn. Zc6:12,13

Het hele betoog van de schrijver in dit hoofdstuk is dat Christus een hogepriester is van een veel hogere orde dan de hogepriesters onder het oude verbond, volgens de orde van Aäron.

Dit doet hij aan de hand van een uitspraak in Ps110:4 ‘Gij zijt priester voor eeuwig, naar de wijze van Melchisedek.’ Voor ons komt dit misschien vreemd over, om zo lang door te gaan op dit ene zinnetje, maar er hangt nogal wat van af! Het Oude Testament kondigde aan dat er een nieuwe ‘soort’ priester zou komen. Dit is voor ons die leven onder de zegeningen van dit nieuwe verbond een anker voor de ziel: een rein geweten, met vrijmoedigheid naderen tot in het heiligdom en weten dat Jezus onze zaken behartigt bij God. Als er een ander type priester is, dan is er ook een andere wet, een ander bestel (7:12).

Vers 15: En nog veel duidelijker wordt het, als naar het evenbeeld van Melchisedek een andere priester opstaat,

In vers 13 en 14 had de schrijver gezegd dat het duidelijk is dat Jezus niets te maken heeft met het priesterschap van het oude verbond.

Jezus behoort tot een andere stam (Juda) dan die met het altaar te maken had (Levi). Jezus behoort tot de stam Juda, waarvan Mozes met geen woord over het priesterschap heeft gerept. Het wordt nog veel duidelijker als we gaan begrijpen dat er een nieuwe priester opstaat, die geestelijk gezien, door de Schrift gelijk gesteld wordt met Melchisedek.

Vers 16: die dit niet geworden is krachtens een wet met een voorschrift betreffende vleselijke (afkomst), maar krachtens een onvernietigbaar leven.

We hebben al verschillende keren gezien dat de figuur van Melchisedek door de Heilige Geest zo wordt beschreven, dat hij overduidelijk heenwijst naar Jezus. De priesters van het Oude Testament ontvingen hun ambt vanuit een bepaald voorschrift. Er staat letterlijk: ‘naar (de) wet van een vleselijk gebod’. Dit woord ‘wet’ slaat niet op de wet, maar betekent: ‘regel, norm, wetmatigheid’. ‘Vleselijk’ betekent niet ‘zondig’, maar ‘natuurlijk’. De geboden van het oude priesterschap hadden niet te maken met de toestand van het hart, met de innerlijke gezindheid, maar met het uiterlijke, lichamelijke, zichtbare. Jezus is niet Priester geworden volgens dergelijke vleselijke voorschriften, maar in de kracht van een ‘onvergankelijk’ leven. Hij heeft geen opvolging nodig. Hij is door de dood en de opstanding heen hogepriester geworden. Dit onvergankelijk leven slaat dus niet op zijn goddelijke natuur, maar op zijn opstandingsleven als mens. In Nm17 zien we dit geïllustreerd aan de hand van de bloeiende staf van Aäron. Nieuw leven uit de dood was het kenmerk van de ware hogepriester door God aangesteld.

Vers 17: Want van Hem wordt getuigd: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchisedek.

Weer haalt de schrijver Ps110:4 aan. Dit keer ligt het accent weer op een ander aspect.

5:6: U bent priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchisedek.

5:10; 6:20: U bent priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchisedek.

7:17: U bent priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchisedek.

7:21: De Heer heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: U bent priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchisedek. Zolang wij nog te maken hebben met zwakheden, is Jezus onze hogepriester die de taak van Aäron uitvoert in de hemel. Als het Vrederijk aanvangt, dan zal Hij verschijnen als de ware Melchisedek en ons verkwikken met brood en wijn. Dan zal zijn taak als de grote Aäron voorbij zijn. We hebben immers een opstandingslichaam en zijn bovendien niet meer in de ‘woestijn’.

Vers 18: Want een vroeger voorschrift wordt wel afgeschaft, als het zonder kracht en nut is,

De schrijver vat nog even samen wat hij wil zeggen, aansluitend ook op vers 11. Er zijn twee bestellen, systemen, ordeningen. Het oude systeem was onvolmaakt vanwege de zwakheid van de mens, Het nieuwe systeem is volmaakt vanwege de volmaaktheid van de priester. Het oude bestel bracht geen volledige verlossing en was dus zonder kracht en nutteloos.

Vers 19: immers de wet heeft in geen enkel opzicht het volmaakte gebracht – maar thans wordt een betere hoop gewekt, waardoor wij nader tot God komen.

Het Levitische priesterschap was verbonden met de wet van Sinaï, het oude verbond. De wet was goed en volmaakt, maar de mens was dat niet. Daarom kon dit systeem niet het volmaakte brengen. Ze kon de mens wel de weg wijzen, maar niet voorzien in de kracht om die weg te gaan. Maar nu is er een betere hoop: Jezus. Hij is volmaakt, zijn werk is volmaakt en dus kunnen wij tot God naderen als mensen die rein zijn. We mogen dicht bij God komen, zoals vroeger alleen de priesters dat mochten doen.

Vers 20: En in zoverre het niet zonder een plechtige eed plaats had – want genen zijn zonder eed priester geworden,

God legde geen eed af bij de instelling van het Levitische priesterschap. Dit deed God wel bij de aanstelling van Jezus als hogepriester.

Vers 21: maar déze met een eed bij monde van Hem, die tot Hem sprak: De Here heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt priester in eeuwigheid –

Hier zien we wederom de aanhaling van Ps110:4. Deze keer ligt de nadruk op de eedzwering van God toen Hij Jezus aanstelde als de eeuwige priester, volgens een nieuw verbond en in de kracht van diens eigen Persoon. God kan er in de eeuwigheid nooit meer op terugkomen; Hij heeft onder ede gezworen dat Jezus in alle eeuwigheden de volmaakte priester zal zijn tussen God en mensen.

Vers 22: in zoverre is Jezus ook van een beter verbond borg geworden.

‘Jezus’ is de naam van de Mens die hier op aarde heeft geleefd en is gestorven en opgestaan. Deze Mens is nu borg geworden van een beter verbond dan het oude. Over dit nieuwe verbond zullen we uitvoerig horen in de komende twee hoofdstukken. Jezus staat garant voor de effectiviteit van dit nieuwe verbond. Het is volmaakt omdat Hij en zijn offerwerk op het kruis volmaakt zijn. Een verbond is een beschikking van God waarbij de mens, als hij aan bepaalde verplichtingen voldoet, in relatie met God kan komen. Onder het oude verbond faalde de mens omdat deze niet aan de verplichtingen kon voldoen. Jezus heeft als borg alle verplichtingen op zich genomen. Hij heeft zijn eigen leven gegeven zodat wij vrij konden komen van onze schuld. Ook is Hij nu borg in de hemel dat aan alle voorschriften zullen worden voldaan. Alle zegeningen zijn beschikbaar voor de gelovigen.

Vers 23: En zíj zijn in groter getale priester geworden, omdat zij door de dood verhinderd werden het te blijven,

Onder het oude verbond volgden de priesters elkaar continu op vanwege de sterfelijkheid van de mens. Geen één priester kon langer in zijn abt functioneren dan dat zijn leeftijd het toeliet. Uiteindelijk stierven zij allen.

Vers 24: doch Híj heeft, juist doordat Hij in eeuwigheid blijft, een priesterschap, dat op geen ander kan overgaan.

Jezus heeft de dood overwonnen. Hij leeft in eeuwigheid en zal dus ook nooit ‘opgevolgd’ hoeven te worden.

Vers 25: Daarom kan Hij ook volkomen behouden, wie door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten.

Dit is de kerntekst van het hele gedeelte vanaf hoofdstuk 5. Omdat Jezus volmaakt is, omdat Hij de dood heeft overwonnen en dus een hogepriester is volgens een totaal nieuwe ordening, kan Hij volkomen behouden wie door Hem tot God gaan. Hij kan hen tot het einde toe bewaren. Het gaat hier dus niet om de eeuwige behoudenis, maar om onze reis op deze aarde. Hij redt ons tot het einde toe uit verzoekingen omdat Hij voor ons bidt (tussenbeide treedt). Wij naderen daarbij tot God, wat een uitdrukking is die te maken heeft met het naderen van de priesters in het Oude Testament tot God. We zijn nu aanbidders in het hemelse heiligdom geworden. In 4:16 gaat de zwakke, beproefde, lijdende zoon tot de troon van de genade, hier gaat de prijzende, aanbiddende zoon tot de troon. Ook hierin is Jezus onze hogepriester. Vanaf dit vers wordt deze laatste waarheid belicht.

Vers 26: Immers, zulk een hogepriester hadden wij ook nodig: heilig, zonder schuld of smet, gescheiden van de zondaren en boven de hemelen verheven;

Bij onze status als aanbidders in het heiligdom ‘past’ een hogepriester als Jezus. Hij past bij onze nieuwe positie. Wij zijn zonen van God geworden die nu dicht bij zijn hart zijn gebracht en Hem offers brengen van lof en aanbidding. Dat kan alleen als wij heilig (vroom, godvrezend) en onbesmet zijn, zonder schuld en gescheiden van de zondaren. Wel, dat zijn precies die kenmerken die Jezus ook heeft! Als zondaren hebben wij een hogepriester nodig die ons kan verzoenen met God. Als aanbidders past ons een dergelijke hogepriester. Hij is boven de hemelen verheven, dat betekent dat Hij boven de geschapen hemelen is gesteld. Wij hebben een hemelse roeping (3:1) en dus past een hogepriester als Jezus bij ons.

Vers 27: die niet, gelijk de hogepriesters, van dag tot dag eerst offers voor zijn eigen zonden behoeft te brengen en daarna voor die van het volk, want dit laatste heeft Hij eens voor altijd gedaan, toen Hij Zichzelf ten offer bracht.

Weer een contrast met de priesters onder het oude verbond: zij brachten iedere dag offers en dit ook nog eens voor de eigen zonden. Jezus bracht eenmaal een offer en wel Zichzelf. ‘Door Zichzelf op te offeren’ staat hier letterlijk. Hij was zonder zonde, maar werd tot zonde gemaakt (2Ko5:21).

Vers 28: Want de wet stelt als hogepriester mensen, die met zwakheid behept zijn, maar het plechtige woord van de eed, die ná de wet kwam, stelt de Zoon, die in eeuwigheid volmaakt is.

Nog eens vat de schrijver het betoog samen. De wet (het oude bestel) functioneerde met zwakke mensen. De eed van God, die later kwam, had de Zoon op het oog, die in eeuwigheid volmaakt is. Hij is daar om van ons aanbiddende zonen en dochters te maken die voortdurend gemeenschap hebben met God, ondanks dat we nu nog in de woestijn leven.