Liefde voor God

God begon, na de verwerping van zijn Zoon door Israël, iets nieuws, de gemeente van God. Dit wordt in Ko1:13 ook genoemd: het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde. Daar zijn wij in overgezet nadat wij uit het koninkrijk van de duisternis verlost zijn. Dit nieuwe koninkrijk is een rijk waar de geliefde Zoon van de Vader centraal staat. Zowel de Vader als de onderdanen van dat rijk verheugen zich in de Zoon. Het is hun gemeenschappelijke voorwerp van bewondering en liefde. Daarom zegt Johannes:

Hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben. En ónze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus. En deze dingen schrijven wij, opdat onze blijdschap volkomen zij. 1Jh1:3-4

De gemeente van God, ook wel genoemd ‘het lichaam van Christus’ is een plek van ware gemeenschap, relatie. Wij hebben een relatie met de Vader en de Zoon en daarom met elkaar. Jezus spreekt in het evangelie van Johannes eigenlijk continu over de relatie die Hij beleefde met de Vader. Dit evangelie laat ons de Zoon zien die de Vader openbaart. De Vader getuigt van zijn liefde voor de Zoon als Hij spreekt uit de hemel: ‘Deze is mijn geliefde Zoon (Mt3:17; 17:5; Mc1:10; Lc3:22)’. Onze Heer is in de eerste plaats voor ons: een Persoon die wij liefhebben en die de Vader liefheeft. Wij zijn in een rijk gebracht waar niet alleen de Vader, maar ook wij de Zoon liefhebben. Daarom is het voor een volgeling (discipel) van deze Koning van het grootste belang dat hij/zij Hem leert kennen zoals de Vader Hem kent. Je zou ook kunnen zeggen: dat hij/zij de Vader leert kennen door Hem te leren kennen. De hoogste manier van relatie met God hebben is: De Zoon kennen zoals de Vader Hem kende van eeuwigheid af en de Vader kennen zoals de Zoon Hem kende van eeuwigheid af:

Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren. Judas, niet Iskariot, zeide tot Hem: Here, en hoe komt het, dat Gij Uzelf aan ons zult openbaren en niet aan de wereld? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren en mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen. Jh14:21-23

Je kunt eigenlijk niet echt een discipel van Jezus worden, niet tot echte overgave, toewijding komen, als je niet eerst heb geleerd Jezus lief te hebben (en door Hem de Vader). Als je het geheim van deze liefde niet kent, bestaat het volgen van Jezus uit niets anders dan uiterlijk discipline en dwang, een geforceerd religieus leventje. Niemand is bereid Jezus tot het uiterste te volgen als hij/zij niet eerst Hem heeft leren liefhebben.

Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu (nog) in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven. Gl2:20

Hem hebt gij lief, zonder Hem gezien te hebben; in Hem gelooft gij, zonder Hem thans te zien, en gij verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde, 1Pt1:8

Wat moet je nu als je deze liefde totaal niet of nauwelijks ervaart? Het is ook in het dagelijkse leven zo dat we de liefde voor iemand niet altijd even sterk ervaren. Er zijn twee kanten aan het ervaren van onze liefde voor Jezus; de ene is de kant van de openbaring van God en de andere kant is onze overgave. Als God het ons niet in ons hart openbaart, kunnen we Hem niet liefhebben.

Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij vele, want zij betoonde veel liefde; maar wie weinig vergeven wordt, die betoont weinig liefde. Lc7:47

Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde verzaakt hebt. Gedenk dan, van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u en doe (weder) uw eerste werken. Maar zo niet, dan kom Ik tot u en Ik zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, indien gij u niet bekeert. Op2:4-5

Het eerste voorbeeld, uit Lucas 7, is een voorbeeld van de kant van God. Hij openbaart iemand hoeveel hem/haar is vergeven en dit resulteert in een wederliefde voor God. Het tweede voorbeeld, uit Openbaring 2:4, is een opdracht om ons te bekeren zodat de liefde weer vers en fris wordt. Wij hebben de verantwoordelijkheid om alles wat er in ons hart aan liefde zit voor andere zaken, weg te doen (als deze liefdes in de plaats komen voor de liefde voor God).

Nu komen we tot de kern van het onderwijs: Dezelfde mate van liefde die wij voor God hebben, hebben wij ook voor onze naaste. Het is onmogelijk dat we veel liefde voor God kennen en weinig voor onze naasten. Andersom is het ook ondenkbaar dat we veel liefde hebben voor onze naasten en weinig voor God. Dit is het onderwijs van de eerste brief van Johannes. Hij zegt ronduit dat als je Gods kinderen niet liefhebt, je ook niet van God houdt (3:10-18; 4:7,11,12,20-5:2). De liefde die God in ons hart heeft uitgestort (Rm5:5), stroomt vanzelf uit ons binnenste naar anderen toe (Jh7:38-39).

Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus: want dit is de wet en de profeten. Mt7:12

Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander. Jh13:35